Menu
Bible Gateway Plus logo
Bible Gateway logo
account
Share feedback on the new Bible Gateway
Bible Gateway Plus logo
Bible Gateway logo
Share feedback on the new Bible Gateway
  • Read the Bible
    • Reading Plans
    • Advanced Search
    • Available Versions
    • Audio Bibles
  • Study Tools
    • Scripture Engagement
    • More Resources
  • Explorer More
    • Bible News
    • Newsletters
    • Devotionals
    • Bible Gateway App
    • Bible Audio App
    • Bible Gateway Blog
  • Store
    • Bibles
    • Deals
    • More
  • Bible Gateway Plus
HTB
Version
Bible Books Bible Books
HTB
Version
Read
Study
Explore
Store
Bible Gateway Plus
Light Mode Dark Mode
Font Size
Log In show menu
Previous Next
PrintPrintSettingsSettingsShareShareParallelParallelExpandExpandCollapse

Genesis 46  Het Boek

Jakob gaat naar Egypte

46 Zo trok Israël met al zijn bezittingen naar Berseba en bracht daar offers aan de God van zijn vader Isaak.

2 In de loop van de nacht sprak God tot hem in een visioen. ‘Jakob, Jakob!’ riep Hij. ‘Ja Here, hier ben ik!’ antwoordde Jakob. 3 ‘Ik ben God,’ zei de stem, ‘de God van uw vader. Wees niet bang om naar Egypte te gaan, want Ik zal ervoor zorgen dat u daar uitgroeit tot een groot volk. 4 Ik zal met u meegaan naar Egypte en uw nakomelingen terugbrengen. Maar u zult in Egypte, met uw zoon Jozef naast u, sterven.’

5 Zo verliet Jakob Berseba en zijn zonen brachten hem naar Egypte, samen met hun vrouwen en kinderen in de rijtuigen die de farao ter beschikking had gesteld. 6 Ze namen ook hun vee en hun huisraad mee, alle bezittingen die zij in Kanaän hadden vergaard en kwamen in Egypte. Jakob en al zijn kinderen, 7 zonen en dochters, kleinzonen en kleindochters, allen van wie hij hield.

8-14 Hier zijn de namen van zijn zonen en kleinkinderen die met hem meegingen naar Egypte:

Ruben, zijn oudste zoon en diens zonen Chanoch, Pallu, Chesron en Karmi.

Simeon en zijn zonen Jemuël, Jamin, Ohad, Jachin, Sochar en Saül (Saüls moeder was een Kanaänitische).

Levi en zijn zonen Gerson, Kehat en Merari.

Juda en zijn zonen Er, Onan, Sela, Peres en Zerach (Er en Onan waren in Kanaän gestorven). Peres had ook twee zonen: Chesron en Chamul.

Issachar en zijn zonen Tola, Pua, Job en Simron.

Zebulon en zijn zonen Sered, Elon en Jachleël.

15 Al deze afstammelingen van Jakob en Lea, zonder hun dochter Dina, kreeg Jakob in Paddan-Aram, drieëndertig in totaal. 16,17 Onder het gezelschap waren ook: Gad en zijn zonen Sifjon, Chaggi, Suni, Esbon, Eri, Arodi en Areli. Aser en zijn zonen Jimna, Jiswa, Jiswi en Beria en hun zuster Serach. Beriaʼs zonen heetten Cheber en Malkiël. 18 Deze zestien personen waren afstammelingen van Jakob en Zilpa, de dienares die Lea van haar vader Laban kreeg.

19-22 Bij Jakobs huishouding waren ook de veertien afstammelingen van Jakob en Rachel: Jozef en Benjamin.

Jozefs zonen, die hij in Egypte kreeg, waren Manasse en Efraïm (hun moeder was Asnat, de dochter van Potifera, de priester van Heliopolis).

Benjamins zonen Bela, Becher, Asbel, Gera, Naäman, Echi, Ros, Muppim, Chuppim en Ard.

23-25 Tot de groep behoorden ook de zeven afstammelingen van Jakob en Bilha, de dienares die Rachel van haar vader Laban kreeg: Dan en zijn zoon Chusim.

Naftali en zijn zonen Jachseël, Guni, Jeser en Sillem.

26 Zo kwam het totaal van de groep die naar Egypte ging—allemaal afstammelingen van Jakob en zonder de vrouwen van zijn zonen—op zesenzestig personen. 27 Met Jozefs twee zonen meegerekend, bestond de gehele familie daar in Egypte uit zeventig mensen.

28 Jakob stuurde Juda vooruit om Jozef te vertellen dat zij onderweg waren en al snel in Gosen zouden aankomen, wat ook gebeurde. 29 Jozef sprong in zijn rijtuig en reisde naar Gosen om zijn vader te ontmoeten. Zij vielen elkaar om de hals en huilden een tijd. 30 Toen zei Israël tegen Jozef: ‘Nu kan ik eindelijk sterven, want ik heb jou weer gezien en weet dat je nog leeft.’

31 Jozef richtte zich tot zijn broers en zei: ‘Ik zal de farao gaan vertellen dat jullie uit het land Kanaän zijn gekomen om bij mij te zijn. 32 En ik zal hem zeggen: “Deze mannen zijn schaapherders. Zij hebben hun kudden en al hun andere bezittingen meegenomen.” 33 Als de farao dus met jullie wil praten en vraagt wat jullie beroep is, moet je zeggen: 34 “Wij zijn sinds onze jeugd schaapherders, net zoals onze vaders al generaties lang zijn geweest.” Als jullie hem dat vertellen, zal hij jullie rustig in Gosen laten wonen.’ Want in andere delen van Egypte werden schaapherders veracht en gehaat.

Next
Genesis 45
Genesis 47
Next
dropdown
Het Boek (HTB)

Het Boek Copyright © 1979, 1988, 2007 by Biblica, Inc.®
Used by permission. All rights reserved worldwide.

Bible Gateway Plus logo
Bible Gateway logo

Font Size

Font Size

Dark Mode

Light Mode Dark Mode

About

  • About
  • Learn About the Bible
  • Statement of Faith
  • Mobile App
  • Store
  • Blog
  • Newsroom
  • Support Us

Help

  • FAQs
  • Tutorials
  • Use Bible Gateway on Your Site
  • Advertise with us
  • Contact us
  • Privacy policy
  • California Privacy Rights
  • Do Not Sell My Personal Information
  • Site: Terms of use
  • Widget: Terms of use

Our Network

  • FaithGateway
  • StudyGateway
  • ChurchSource
  • HarperCollins Christian Publishing
  • Grupo Nelson
  • Editorial Vida
  • Thomas Nelson
  • WestBow Press
  • Zondervan
  • MasterLectures

Social

  • Facebook
  • Instagram
  • Pinterest
  • TikTok
  • X
  • YouTube

Preferences

  • Versión en español
  • Preferences
Sign Up for Bible Gateway: News & Knowledge
Get weekly Bible news, info, reflections, and deals in your inbox.

By submitting your email address, you understand that you will receive email communications from Bible Gateway, operated by HarperCollins Christian Publishing, 501 Nelson Pl, Nashville, TN 37214 USA, including commercial communications and messages from partners of Bible Gateway. You may unsubscribe from Bible Gateway’s emails at any time. If you have any questions, please review our Privacy Policy or email us at privacy@biblegateway.com.

Preferences

  • Versión en español
  • Preferences